Zonder namen (Gerome)

Vorige maand schreef ik in mijn column Betekenisloos over mijn ambivalentie van taal en woorden die eens in de zo veel tijd bij mij opspeelt. Deze ambivalentie is deze zomer bij me gebleven, ik ben nog steeds steentjes in de vijvers van de betekenisloosheid aan het gooien.

Een opmerking die ik hierover kreeg was of ik een nihilist aan het worden was en overwoog om een zwarte coltrui aan te trekken. Maar het nihilisme refereert voor mij aan de zinloosheid van het bestaan. De betekenisloosheid probeert het illusoire in ons leven te doorzien en ‘bedolven’ schoonheid en liefde te ontbloten.

Iemand die nogal eens opduikt wanneer ik in de ‘betekenisloze’ modus vertoef en mijn gedachten zonder selectie of oordeel de revue laat passeren, is de dichter Gerrit Kouwenaar. Hij is een dichter die de woordeloze ambivalentie – wat ruimte loslaat en uitspaart – met enige regelmaat in zijn oeuvre onderzoekt, zoals in zijn gedicht Zonder namen. Het raakt me zoals hij in de laatste strofe schijft:

en hoe sneller de huizen
aan handen en ogen ontvallen
hoe groter men woont

ZONDER NAMEN

Als ik zie hoe machteloos de gedachten van velen
de namen omzwermen
als volièrevogels het zangzaad
beklim ik liever het naamloos ding dat een berg is
desnoods halverwege

het zwijgen te toonzetten
maar de naam te verzwijgen, niet uit eerbied
maar uit eenvoudige blindheid
en zó de stof het feit en de tijd
nauwkeurig te zeven door vlees
ziedaar een poging tot maken

desnoods halverwege: uitzicht
op een hard ding dat ruimte loslaat en uitspaart 

zeer werkelijk is de slaap en de gestilde honger
zeer denkbaar want niet benoemd

en hoe sneller de huizen
aan handen en ogen ontvallen
hoe groter men woont

uit: zonder namen (1962) Gerrit Kouwenaar.

© Gerome, 1 september 2020

Noten

Gerrit Kouwenaar (Amsterdam, 9 augustus 1923 – aldaar, 4 september 2014) was een Nederlands dichter, prozaschrijver, vertaler en journalist. Hij maakte deel uit van de Vijftigers. Kouwenaar debuteerde in de Tweede Wereldoorlog met een aantal clandestiene uitgaven, waaronder Vroege voorjaarsdag, en met bijdragen in illegale bladen als Parade der Profeten. Hij kreeg daarvoor een half jaar gevangenisstraf. Van 1945 tot 1950 was hij kunstredacteur van dagblad De Waarheid, toen de grootste krant van Nederland. Daarna was hij freelancer voor Vrij Nederland en redacteur van het literaire blad Podium. Later recenseerde hij beeldende kunst voor Het Vrije Volk en werd redacteur van het toonaangevende culturele tijdschrift De Gids.

Hij was verbonden aan het tijdschrift Reflex en kwam in contact met de Experimentele Groep in Holland en later met het experimentele, internationale kunstenaarsgezelschap Cobra. In 1949 publiceerde hij samen met de Cobra-schilder Constant Goede morgen haan, een combinatie van gedichten en tekeningen (Peinture-mots). In den beginne was hij in zijn poëzie vooral een sociaal en politiek bewogen experimentele dichter, later was zijn werk meer gericht op het taalgebruik in de poëzie. Kouwenaar streefde naar poëzie die autonoom is en voor zichzelf spreekt.

, , ,

Nog geen reacties.

Geef een reactie