TIJDLOOS – met Piet Mondriaan (Gerome)

Ra –ra. Mijn tijdmachine is behoorlijk met me op de loop. Ru-h-ru-h-ru-h-h-h-h. Poeoeoe. Tik-tik-tik-tik. Pre. R-r-r-r-r-uh-h. Huh! Pang’. Su-su-su-ur. Boe-a-ah. R-r-r-r. Foeh….veelheid van klanken, dòorelkaar. Door mij heen suizen gedachten. Ben ik dat? Zijn dat mijn gedachten? Of ben ik iemands gedachten aan het lezen? Ra –ra. Spreekt er iemand op me in? Wie ratelt er in mijn hoofd zonder dat hij vertelt wie hij is? Ra –ra. Is er dan iemand op afstand die sterk aan mij denkt?

Gaan deze gedachten over in een stem? Hoor ik een stem? Het lijkt alsof de woorden door krakende oude buizenradio’s komen. Van die massieve en ietwat bonkige buizenradiotoestellen die ontzettend kunnen brommen en echoën. ‘Beweging en stilstand: verschillend; beweeg. Beweeg in ruimte en beweeg in tijd,’ hoor ik een stem zeggen. De radio kraakt wel heel erg. Su-su-su-ur. Boe-a-ah. R-r-r-r. Foeh. Zo’n radioafstemschaal uit die tijd, hoe klinkt dat als je langzaam aan de afstemknop draait? De gedachten verdwijnen en komen weer. De stem is bijna onhoorbaar, piekt omhoog en verdwijnt ook weer. Alsof het me niet lukt om de antenne zo te draaien dat de ruis en het brommen helemaal weg gaat.

Ra – ra raad maar. Mijn tijdmachine heeft er plezier in dat ik het even niet weet. Een flits van de Eifeltoren! Mijn tijdmachine heeft me, voordat ik het zelf besef, meegesleurd naar het Parijs van de jaren twintig van de vorige eeuw. Mijn diepe wens om een etmaal in de jaren 20 van de vorige eeuw in Parijs rond te banjeren wordt gehoord.

Et voilà. 21 maart 1920. Op de dag af. Ik bevind me op Rue de Depart in Parijs waar ik blijf staan bij nummer 26 en naar de bovenste verdieping kijk. Rue de Depart 26. Opeens besef ik dat ik voor het atelier van Mondriaan sta… Mondriaan… de kunstenaar Piet Mondriaan. Hij woonde en werkte van 1921 tot en met 1936 aan de Rue du Départ waar hij veel van zijn abstracte composities maakte. Vol van zijn theorieën over de zichtbare en de ‘echte’, geestelijke wereld. Hij ordende zijn atelier volgens de regels en wetten van zijn nieuwe wereldbeeld. Kleurvlakken, meubels, zijn schilderijen: samen creëerden ze voor Mondriaan de perfecte harmonie.

Vandaag is het rustig op de Rue, stil zelfs. Er is geen mens te bekennen. Het raam van zijn atelier is met rood-blauwe blokjes tien centimeter omhoog geschoven. Er klinkt een Jazzy Groove. Ooit, wanneer en bij welke tentoonstelling het was weet ik niet meer, stond ik in een replica. Ik herinner me dat het  atelier qua afmetingen niet groot was. Alles in de ruimte was precies uitgekiend. De wanden schilderde hij in grijs of wit en daarop werden kleurvlakken bevestigd die als abstracte schilderijtjes op de muren waren bevestigd. Ru-ru-ru-u-u. Pre. Beelden zijn begrenzingen. Was Mondriaan de inrichting beu, dan konden de kleurvlakken verplaatst worden.

Tik-tik-tik-tik. Het kraken van de oude buizen radio valt weg. Het geluid wordt helderder. Ik hoor een mengeling van een in ietwat deftig gesproken Nederlands dat door de tand des tijd is ingehaald, vermengd met een zintuiglijke beleving die geen seconde aan tijdloosheid heeft ingeboet. Vandaag schrijft Piet Mondriaan in de bloei van zijn leven als een soort rapper aan ‘De groote boulevards’. Direct geraakt door de dynamiek van de taal en de oprechte waarneming kan ik er niet meer van loskomen.

I

Ru-h-ru-h-ru-h-h-h-h. Poeoeoe. Tik-tik-tik-tik. Pre. R-r-r-r-r-uh-h. Huh! Pang. Su-su-su-ur. Boe-a-ah. R-r-r-r. Foeh….veelheid van klanken, dòorelkaar.

Auto’s, autobussen, karren, rijtuigen, menschen, lantaarnpalen, boomen..door elkaar; tegen café’s, winkels, kantoren, affiches, étalages: veelheid van dingen. Beweging en stilstand: verschillend beweeg. Beweeg in ruimte en beweeg in tijd. Veelheid van beelden en velerlei gedachten. Beelden zijn gesluierde waarheden. Velerlei waarheden vormen het ware. Het afzonderlijke toont niet alles in één beeld. Parisiennes: verfijnde zinnelijkheid. Verinnerlijkte uiterlijkheid. Verstrakte natuurlijkheid. Toonde Greetchen die? Tóch kwam Greetchen in den hemel. Was ‘t echter door haar uiterlijkheid?

Ru-ru-ru-u-u. Pre. Beelden zijn begrenzingen. Veelheid van beelden en velerlei begrenzingen. Opheffing van beelden en begrenzingen door velerlei beelden. Begrenzingen sluieren ‘t ware. Rebus: wáár is ‘t ware? Begrenzingen zijn even betrekkelijk als beelden en als tijd en ruimte. Na vandaag komen er andere dagen en beelden en dèze boulevard is niet de éénige boulevard. Dagen vormen eeuwen, door de aeroplane bestaat er geen afstand meer. Tijd en ruimte beweegt, het betrekkelijke beweegt en het bewegende is betrekkelijk. Parisien: reeds de mode maakt de boulevard elk jaar anders. Elke tijd heeft zijn uitdrukking. Toch blijft een mensch een mensch, de kunst de kunst – ik zie de kunstuiting veranderen. Het tijdelijke beweegt, het bewegende is tijdelijk. Scheiden doet wee. Het bewegende is hetgeen beweegt en verandert met de beweging in tijd. De étalages veranderen sneller dan de winkels, ik zie de bouwkunst achterblijven. Waarom is de steen zóó hard en een portemonnaie zoo klein? Toch verandert ook ‘t stilstaande voor den man in den auto en voor den langzamen wandelaar. Ook stilstand is betrekkelijk. Alles beweegt op de boulevard. Bewegen: scheppen en vernietigen. Elkeen schept – wie durft zich zelf vernietigen, telkens en telkens? Op de boulevard vernietigt het één zich in ‘t ander, visueel. In snel en langzaam tempo. Snelle wisseling der onderscheidenheid verbreekt de spanning der zinnelijkheid. Verhouding is door veelheid. Snel beweeg verbreekt de massale eenheid en alle bizonderheid. Teniet doen van ‘t bizondere is komen tot eenheid – zegt de wijze. Negerkop, weduwenkap, schoentjes van een Parisienne, beenen van een soldaat, rad van een kar, enkels van een Parisienne, stuk plaveisel, gedeelte van een dikke heer, wandelstokknop, stuk van een nieuwsblad, lantaarnpaalvoetstuk, roode veer… ik zie slechts deelen van ‘t bizondere. Zij bouwen zich op tot een andere realiteit die ons gewone realiteitsbegrip verwart. Te samen vormen deze deelen een eenheid van gebroken beelden, visueel automatisch waargenomen. Parisienne. Ziet elkeen de beelden ‘gebroken’ en neemt elkeen de deelen ‘automatisch’ waar? Beeldend gezien stolt alles tot één beeld van enkel kleur en vorm. Een beeld beeldt iets: enkel kleur en vorm beeldt iets – Wat? Waar is ‘t ware? – In beeld is ‘t afzonderlijke opgeheven; in de maatschappij ook? Een beeld kan ons wel een beetje vooruit zijn. Een student die op een meisje wacht. ‘t Duurt lang. Langzaam gaat de tijd. Snel draait ‘t rad van dien auto daar. Is ‘t rond omdat ‘t moet draaien of draait ‘t omdat ‘t rond is? Er is rond en er is recht op den boulevard, dat beweegt. Het geld is rond en de aarde is rond. Rond was ook de slang in ‘t Paradijs. Ook ‘t blad van ‘t tafeltje voor me is rond, maar dàt zie ik niet draaien. Het rad van de auto is rond, de spaken er in zijn recht. Het rechte in ‘t ronde.

Overal? Het ronde beweegt het rechte, het rechte beweegt het ronde. Het uiterlijke en het innerlijke: zij zijn beide nodig. Het rad draait snel: ik zie de spaken niet. Ook zie ik de motor niet die de auto beweegt. – Het rad beweegt en de as is een stilpunt. Beweegt de as dan niet? Is het binnenste, van buiten, altoos stil? Souscrivez à l’emprunt de la Paix! In rood en blauw en wit. Oorlog-Vrede. Wanneer is ‘t van buiten stil? Ruh! ru-ru-h-h. In de woestijn is ‘t stil – zoolang we er niet in zijn. Velerlei geluiden is opheffing van geluiden en van gedachten.

Poeoe-pang, ‘t eene geluid verbreekt ‘t andere. Een andere harmonie ontstaat. Geluid is bewegen: geluiden veranderen, in ruimte en tijd. Bedelaar. Bezitters. Klein- en grootbezitters. Zonder bezit geen beweeg, geen bezit zonder beweeg. Alles bezit, alles beweegt. Verschillend beweeg, verschillend bezit. – Wie niet bezit beweegt niet maar wordt bewogen. Die bewogen wordt, bezit niet. De lantaarnpaal daar is een koning – hij staat! (op ‘t oogenblik althans). Een Parisienne. Het uiterlijke is ‘t innerlijke vooruit, op den boulevard. Niet overal.

Toch is ‘t eene ‘t andere. De politieman daar op ‘t kruispunt dwingt tot orde. Poeh-oeh-h-Puh! De auto’s ook. De politieman is geen Mengelberg en toch dirigeert hij. ‘Een concert,’ zei laatst een vriend. Mijn kruidenier zegt dat een concert niet bestaat zonder de bestaande muziekinstrumenten. Raymond Duncan zoekt ook rythme te brengen en Dalcroze ook.

Dalcroze gaat van de muziek uit en Duncan van ‘t handwerk. Is er dan nog handwerk, na ‘t ontstaan der boulevards? Duncan is den boulevard ver vooruit – van achterafaan gerekend. Mooie schoentjes: zwarte lak: grijs omstikt. Grijze kousen. Parisienne. Duncan wil noch schoenen noch kousen. Toch doen de politieman, Raymond Duncan, Dalcroze, de auto, een ingenieur en de Parisienne ‘t zelfde: rythme brengen. Un cassis à l’eau, un Turin à l’eau… de menschen drinken allemaal, maar ze drinken niet ‘t zelfde. ‘t Trottoir onder den luifel is een toevlucht. Trottoir, – onder en niet onder den luifel – auto, politie, alles ordent het uiterlijk rythme. Wie ordent ‘t innerlijke rythme? Was maar altijd ‘t een gelijk met ‘t ander. Wordt de langzame wandelaar bewogen of beweegt hij? De artiest doet bewegen en wordt bewogen. Hij is politieman, auto, alles ineenen. Die doet bewegen stelt ook tot rust.

Ik ben op de stoeprand gaan zitten. Voor mij is ‘De groote boulevards’ aantrekkelijk door de manier van kijken en denken – de bewegingen van het denken, – die er in tot uiting komen. Het was het begin van de postmoderne verstedelijking. In de beleving van Piet Mondriaan was het de nieuwe wereld. Een soort blizz. Door de ogen van het grote NU buitelen tijdsbeelden van het toen en nu door elkaar heen en gaan verleden en heden in elkaar op in een groot NU, het veld van de oneindigheid. De auto’s hadden in 1922 een ander  model koplampen en ze reden langzamer met een snelheid van 40 tot 60 kilometer per uur. Ik schat in dat als je in 1922 Place de l’Étoile, het verkeersplein, aan het westelijke eind van de Champs-Élysées, waar de twaalf avenues lanen samenkomen, te voet wilde oversteken dat dit op een relatief rustige manier tussen het autoverkeer nog mogelijk was. Een oversteekactie waar ik me in het Parijs anno 2018 niet meer aan zou wagen. En toch maakt het voor de intensiteit van ‘De groote boulevards’ in relatie tot tijdsbeelden voor mij niet uit.

Terug in mijn werkkamer, kijk ik naar het wolkendek dat langzaamaan verschuift, en merk ik dat mijn waarneming is geïntensiveerd alsof ik in staat ben om door nog onbestemde leegten, ruimtelijke diagonale en verticale lijnen te trekken. Het buizenradiogeluid echoot en bromt in de verte nog een beetje na.

Voor de liefhebbers heb ik deel II ‘De groote boulevards’ onder de bronvermelding geplaatst.

© Gerome, 1 april 2018

Bronvermelding

Piet Mondriaan, Amersfoort, 7 maart 1872 – New York, 1 februari 1944.
Carel Blotkamp, De groote boulevards, in: Maatstaf. Jaargang 26 (1978)

In het Mondriaanhuis te Amersfoort wordt de atelierwoning van Piet Mondriaan tentoongesteld. De reconstructie van het atelier is in 2015 door architect en Mondriaan-kenner Bob Kauffmann gedaan.  Op videoprojecties zie je Mondriaan zitten of staan in het huis. Dit is gespeeld door Kauffmann

II ‘De groote boulevards’.

Het aesthetisch tot rust gestelde is kunst. Rust is noodzaak, kunst is noodzaak. Van daar ‘t woord dilettantisme. Beweging is noodzaak. Van daar de boulevard en ook de kunst. Dat kind daar kijkt naar de boulevard. Ook ik kijk. Parisienne. Ze hoort niet in de woestijn thuis. ‘t Een hoort bij ‘t ander. Waarom kan men nooit buiten ‘zijn soort’ gaan? Is ‘t dààrom zoo moeilijk ‘zijn soort’ te vinden? Parisienne. Officier. Kapitein. Parisienne. Parisienne alleen. Twee Parisiennes alleen. Waarom zit die vreemdeling daar alleen? Bloemen en verkoopster. De bloemen daar op die hoed zijn anders. Prentbriefkaarten, plans de Paris. De vreemdelingen zijn talrijk op de boulevard. De boulevard is internationaal. De taal nog niet. De taal blijft in veel wat achter, al is ze in veel voor. In letterkunde: waarom moet men aldoor om- en beschrijven? Een neger – de boulevard is internationaal. Niet alle internationalen verstaan elkaar. Er zijn veel godsdiensten te gelijk. Er is één mode tegelijk. Parisiennes – de een is als de ander, in kleeding en gelaat. Onbewuste kuischheid: ook hun gelaat is, door kleur, gedekt. Deed Greetchen dat? De bizondere voorkeur houdt op. De bizondere voorkeur is aangenaam voor kiezer en gekozene en onaangenaam voor de anderen – evenals bizonder bezit. Rijkaard! ik zie geen dief. Beiden, dief en rijkaard, willen bizonder bezit. De artiest geeft het algemeen ‘t algemeene. Hetgeen hier in de étalages is wordt meer algemeen gevraagd. Alles hier is reëel: de kunst dikwijls niet. Alles hier op de boulevard is van wezenlijk belang, alles is noodzaak. Ook de luxe is noodzaak. De bakker vindt ‘t schande dat de staat wel de broodprijs en niet de entree der dancings verdubbelt. Hij kent nog niet alle beweeg: hij kent de boulevard ook niet. De boulevard is beweeg van ‘t gecultiveerde. Zelfs beweeg van luxe broodjes is weer anders. Misschien ook neemt hij stilletjes les bij Raymond Duncan en staat hij vijandig tegenover de tango. Huh-huh! Het afzonderlijke neemt me mêe: hier is de boulevard. Toch zie ik weer een vrouwtje in een ezelkarretje. Men kan niet aldoor alles in zijn geheel zien – of moet ik het afzonderlijke ook ‘als een geheel’ zien? Dan zie ik ten minste niet dat ‘t vrouwtje en ‘t karretje vreemd is op de boulevard. Ook de trekschuit gaat langzaam. De traditie is sterk en niet alle portemonaies zijn even groot. Kapitein. De kop nog soldatenkop maar na den oorlog is het kostuum anders. Ik las juist dat de begrafenismannen alhier een voorstel hebben ingediend om een kostuum meer overeenkomstig den tijd te verkrijgen. De natuur is eerder volmaakt dan de menschelijke geest. Paris sport! La Presse! De mensch werkt aan natuur en geest. Mijn tafeltje wordt nat, het regent. In de kerk regent ‘t niet. De boulevard is open, de kerk gesloten. Is ‘t daarom zoo koud in de kerk? Op een schilderijen tentoonstelling in ‘t Grand Palais was ‘t laatst ook zoo koud. In de Metro vinden de menschen ‘t weer een beetje tè warm. L’Intransigeant, La Liberté, Le Populair. Klinkt anders als Les Rameaux op Réveillon. In de caleidoscoop zien we aldoor àndere dingen. Is alles, au fond, zoo ànders? Of is ‘t èèn, op zijn tijd, ‘t andere? Op de boulevard volgt ‘t een ‘t andere ander op, maar ‘t gaat ook in ‘t andere op. Een stille maannacht geeft meer de gelegenheid tot alles. Toe, toe. Ook de auto kan de gelegenheid tot alles geven (binnenin). Van buiten is zij op de boulevard een stuk van ‘t geheel. Ru-huh! De boulevard! Wat neemt mij telkens mêe naar ‘t afzonderlijke? De boulevard is gedachtenconcentreerder. Ik zie de kleuren en vormen, ik hoor de geluiden, ik voel de lentewarmte, ik ruik de lente lucht, de benzine, de parfums – ik proef de koffie. De boulevard toont de uitlevering van ‘t physieke en de inlevering van den geest. De geest sublimeert het physieke, het physieke sublimeert den geest. Trois cafés! Die sublimeert, sublimeert overal, en die enkel de koffie op de boulevard drinkt, drinkt ook enkel koffie op ‘t land. Koffie en koffie zijn beide koffie maar boulevard en buiten zijn niet identiek. Ruh-ruhh-r-r-r. De cubist op de boulevard, Courbet in zijn atelier en Corot in een landschap… alles op zijn plaats. De plaats verandert de mensch en de mensch verandert de natuur. Van daar ‘t woord ‘kunst.’ Op de boulevard is reeds veel ‘verkunst’ maar ‘kunst’ is hij nog niet.

P. Mondriaan, Paris, 21 Mars ’20

Tip:

Geef een reactie op deze column, helemaal onderaan deze pagina.

En onder de column kun je via ‘View all posts’ toegang krijgen tot alle columns van deze auteur.

Nog geen reacties.

Geef een reactie

Do NOT follow this link or you will be banned from the site!