Schrijven alsof dat het leven is (Lenie van Schie)

In januari begon ik voor het eerst in mijn leven aan een schrijfcursus, bij de schrijversvakschool in Groningen. Een basiscursus schrijftechnieken A. We introduceerden onszelf door een aantal regels te schrijven waarbij elke regel begon met de volgende letter van je naam. Ik raakte gefascineerd door wat ik leerde! Ik wilde meer. 

Een ruim schoollokaal, lichtbruin gelakte tafelbladen ondersteund door driehoekige stalen poten staan gerangschikt in een hoefijzer. De lege zijde wordt deels opgevuld door een rechthoekige tafel die vol boeken en schijfmateriaal ligt. Achter die tafel een schoolbord dat de hele wand beslaat. Er tegenover de ramen die uitkijken op een straat en een laan omzoomd voor bomen. Ik zit op de eerste verdieping in het gebouw van de vrije Hogeschool in Zeist en ga hier een week essay schrijven leren.

Schrijven maakt vrij

‘Waarom schrijf je?’ Het was een van die vragen aan het begin van dit jaar. Ik schrijf omdat ik het niet kan laten, omdat het mij helpt om mijn ervaringen te ordenen. En sterker omdat het me dwingt om dieper in mij, mezelf daar te vinden.
Dat is wat schrijven doet: het nodigt je uit te onderzoeken, de veelheid aan ervaringen, gedachten en gevoelens op een of andere manier in een vorm te vatten die werkt. Het essay is een van de vormen.

Essay, het woord komt van de filosoof Montaigne; het werkwoord essayeren betekent  uitproberen. In een essay onderzoekt de schrijver eigen gedachten en ervaringen in relatie tot een maatschappelijke realiteit. Het essay is persoonlijk, vraagt waarachtigheid; de schrijver gebruikt meestal de ik-vorm. 

Schrijven kan vrijmaken als je jezelf de ruimte geeft om alles wat in je opkomt te noteren. Daarvoor gebruiken we in deze week een notitieboekje met pen of potlood. We freewriten. En soms krijgen we specifieke opdrachtjes. 

Strand en een struisvogel

Zo reikt de juf ieder van ons ons op de tweede ochtend twee kaartjes aan. Opdracht: Schrijf vijf woorden op over de overeenkomst tussen beide afbeeldingen. Op een van mijn kaartjes staat een foto van een strand, een grote groep divers gekleurde strandtenten tegen elkaar leunend op de voorgrond, verdwaald lopende mensen op de achtergrond. Op het andere kaartje kijkt een struisvogel me recht in mijn gezicht. 

Vijf overeenkomsten… Een groter verschil tussen deze kaartjes kun je niet bedenken.

Opdracht 2: Neem dan de tweede overeenkomst uit je rijtje en schrijf vijf minuten naar aanleiding van dat woord. Mijn woord was: brutaliteit in de betekenis van: de ruimte innemen. Ik ga los en reik ver voorbij mijn al afgebakende onderwerp.

Een nauwkeurige vraagstelling

Eenvoudig is het niet voor mij. Het vertrekpunt van de essayist is een vraagstelling, en daar ligt al het eerste probleem. Vraagstellingen genoeg maar ze zijn onderling zo intens verbonden dat ik niet kan kiezen, niet kan afbakenen. En ik heb de neiging om dan grote woorden te gebruiken, woorden als cultuur, dimensie, functie.


’Onnauwkeurigheid wordt vaak veroorzaakt’, zo lees ik in de schrijfwijzer van Jan Renkema, ‘door het gebruik van lege woorden. Woorden met een betekenis die zo ruim is dat er niets meer mee gezegd kan worden’.
Ik leer specificeren: zeg het preciezer, eenvoudiger, directer. Plotsklaps herinner ik me hoe ik, toen ik als docent op de Hogeschool werkte en een half jaar overspannen thuis had gezeten, mijn teksten die ik vóór die periode schreef, niet meer kon lezen, zo afstandelijk en omslachtig waren ze geschreven. Mijn taalgevoeligheid was kennelijk veranderd. En afgelopen jaar had ik een discussie met mijn redacteur, toen ik werkte aan mijn laatste boek, over het woord cultuur.

Ik leer ook hoezeer het schrijven van non-fictie verschilt van het essay. Het essay lijkt me op mijn huid geschreven: onderzoek, van persoonlijk naar maatschappelijk van concreet naar abstract en terug! En gevat in een literaire, poëtische vorm. 

Ademruimte

Aan het einde van de middag verruil ik de stoel in het lokaal, voor de fiets die in de warmte buiten op mij wacht. Het zit lekker op het zadel, mijn benen zijn blij nu ze in beweging kunnen komen. Zo rijd ik de slotlaan af, aan weerszijden grote statige gebouwen in carré, gebouwen neergezet door de Hernhutters, een groep protestanten die zich hier vanuit Duitsland hebben gevestigd en voor altijd hun stempel op Zeist hebben gelegd.
Links van mij het broederplein met zijn gebouwen en rechts het zusterplein. De gebouwen van de broeders net wat statiger, net wat groter, wat meer elan, belangrijker. De brutalen hebben meer dan de halve wereld, schreef ik naar aanleiding van mijn getrokken kaartjes. Aan het einde van de laan het slot, omringd door brede grachten, de karpervijver met een fontein.

De weg volgt de contouren van de slotgracht en dan rijd ik over bosrijke fietspaden Zeist uit, Bunnik in en ineens is daar een Albert Heijn, zijn daar gewone huizen. Nog verderop strekken zich langs de weg de landerijen uit. De weg duikt onder een viaduct waarboven auto’s over de A12 razen. De laatste kilometers, dan ben ik er.

Hier op het land de geur van vee, van boerderij, een beetje zurig. Hij hangt ook op de camping. Ooit was hier op dit terrein en in deze schuren, een boerenbedrijf gevestigd. Nu is er een toiletgebouw, een ruimte met een biljart en voetbaltafels, een grote plek waar je comfortabel kunt zitten aan tafel of op bank, een groot televisietoestel en internet. Ruimte genoeg.
De camping is goed onderhouden, de plekken zijn groot en de camping ademt rust uit. Maar uitgerekend mijn plek bleek op een veld tussen allemaal gezinnen met jonge kinderen te liggen. Niet zo handig. Ik koos voor het enige, magere alternatief: een plek die alleen werd gebruikt voor nood, klem tegen de schuur van een grote schuur en tussen twee hoge beukenhagen, maar wel privé en stil. En aan de grens van de camping was het uitzicht weids; lege weiden tot waar je oog kon kijken.

Ik vond er een plekje om te zitten, te schrijven.

Schrijven vraagt veel

Vijf dagen schrijven en in de avond of nacht ging mijn schrijven verder. Voortgedreven als een rivier, die geen keuze heeft dan naar de zee te stromen. Ik worstel met afbakening. De vele oefeningen met vrij schrijven tarten de grenzen voortdurend. Ik vind het vooral lastig om te kiezen. Mijn belangrijkste directe ervaring is zo onconventioneel en zet direct de toon. Kan dat wel, durf ik mezelf zo bloot te geven? Ik neem het risico en dan krijgt de tekst langzaam structuur.

Op de een na laatste dag ligt er van iedereen een uitgeprint exemplaar. Dan krijgen we tal van opdrachten zoals: zoek alle woorden die concreet zijn en kijk of je ze specifieker kunt maken. Het werkt, bos wordt naaldbos.en veer arendsveer. In mijn uitgeprinte tekst staan woorden onderstreept in tal van kleuren. Passieve werkwoorden, kunnen ze actiever? Kijk naar de kernzin van elke alinea: staat hij vooraan?

Zo’n 35 uur schrijven aan een tekst van 1500 woorden en aan het einde van de week is die tekst niet af, bij niemand! En we zijn allemaal razend enthousiast over het proces, over wat we leerden, al die inzichten, de enorme rijkdom van het materiaal dat we aangereikt kregen. 

Titel en eerste alinea

Het laatste uur is aangebroken. Tanny Dobbelaar, onze docente, spreekt ons toe met ‘Beste essayisten…’
Deze laatste dag hadden we – naast nog enkele uren schrijven – aandacht besteed aan de titel van ons stuk en de eerste zin. Tanny schreef ze om de beurt op dat grote zwarte bord waar de hele week onze kernwoorden, kernzinnen, uitleg over de ladder van concreet naar abstract, de voorwaarden waaraan een essay moet voldoen, en nog veel meer, was opgeschreven en weer uitgeveegd.

We hadden elkaars titels en de eerste zinnen becommentarieerd. Verteld hoe ze ons raakten, hoe helder ze waren, wat beter of mooier, compacter, kon. De feedback die ikzelf kreeg zorgde ervoor dat de tweede alinea de eerste werd. Veel beter! Tanny voegde er allerlei taaltechnische dingen aan toe. 

En nu is het zover. Om de beurt lezen we onze titel en de eerste linea voor. Tanny heeft voor iedereen een specifieke reactie: wat we leerden, hoe we gegroeid waren in een week. Het is een plechtig moment. We zijn blij, geraakt door elkaars zoektocht, de groei die we samen doormaakten, de inspiratie en hoeveel we opstaken van elkaars reacties.
We nemen afscheid met dat bijzondere gevoel van verrijking en groei. Ik weet dat mijn schrijven door deze cursus een nieuwe wending heeft gekregen. Dank Tanny voor deze prachtige, rijke, volle week.

(En voor alle duidelijkheid: voor het schrijven van dit stukje had ik slechts een beperkt aantal uren beschikbaar, en dat zal nog wel even zo blijven!) 

© Lenie van Schie, 24 juli 2021

Tanny Dobbelaar is filosoof en gepromoveerd op een onderzoek naar familiegeschiedenissen. Ze schrijft onder andere voor Trouw, is als docent verbonden aan de schrijversvakschool en geeft tal van schrijfcursussen en individuele begeleiding.

Reacties gesloten.