Schier unlimited (Dirk Oegema)

Ik ben op het Wad. Ben drooggevallen met ons kleine bootje vlak naast de jachthaven van Schiermonnikoog. Wandel naar de punt van het eiland. Daar laat ik de vuurtoren achter, die erg rood en scherp staat afgetekend tegen de lucht. Voor mij de westpunt.

Onder aan de duinen doe ik mijn slippers uit en betreed de ruimte.

Boven mij, onder mij, achter mij en voor mij. Alles is Wad. Een orgie van wind, zand en water. Mijn zintuigen proberen er greep op te krijgen, maar dat valt niet mee.

Het beste blijf ik maar lopen. Richting de zee, gewoon blijven lopen zolang ik nog grond voel onder mij. Vóór mij moet de Noordzee zijn. Of eigenlijk ‘het gat’, zoals dat heet, tussen Schier en Ameland. Ik zie alleen een paar kleine witte kopjes, het golvende water eronder is niet te onderscheiden. Te ver weg nog. Zeker nog een half uurtje te gaan.

Onder mij, het zand, dat hier donker kleurt van de laatste vloed. Normaal komt het water niet zo ver. Vlak gespoeld zand met alweer de eerste sporen van medemensen. Alle bewegen richting de zee.

En om mij giert de wind. Een straffe bries vanuit het westen. Die neemt fijn zand mee, dat mijn enkels schuurt. Opgenomen stuift het zand in een dun laagje op enkelhoogte over het zand. Jaagt het over het lege strand, zwart van de vorige vloed en van de donkere wolken die boven langs mij trekken. De wind vult elk spoor in het zand met wit stuifpoeder.

Het is wisselend bewolkt. Dat blijkt. Een volgend moment breekt boven mij de lucht open, breekt het licht door. Donker en licht jaagt elkaar na over het zand, verandert het strand van bijna zwart in bijna wit in luttele seconden. Het verschil tussen de twee foto’s nog geen vijf minuten.

Ik ben op het Wad. En het Wad is op mij. Omringd. Omsingeld. Geen ontsnappen aan. Wat ik ook doe of niet doe. Het begint al na een paar uur. En is ingrijpend als ik er een paar weken ben. Zoals deze zomer. Er gebeurt iets dat ik niet in de hand heb. Ik verander van binnen, geleidelijk en ongemerkt. Het vreemde is dat ik er niet achter kom hoe ik aandacht heb voor wat daar is. Zoals ik de westpunt oploop en er niet goed kan achterhalen wat er nu bij me binnenkomt.

Er lijkt iets om te draaien in mij. Ik weet hoe ik me verlies op het web. Een schermpje, een verbinding, en alles waar ik mijn aandacht op richt opent zich in hetzelfde moment. Alle dingen zijn daar. En met dank aan Google Search kan ik mijn aandacht richten als een laser. Op alles, van de allerkleinste details tot de grootste zaken. Alles beschikbaar, in een mate die totaal nieuw is in mijn geschiedenis en in de geschiedenis van alle mensen. En daar verdrink ik in de mogelijkheden, weet ik geen maat. Als een junk blijf ik me volspuiten met prikkels en zak weg in de roes. En de illusie dat ik open sta voor alles. Dat ik op het internet ben in een onbegrensde vrijheid.

Op het Wad valt er nauwelijks iets te kiezen: het zand, water en lucht alom. En meestal verschijnen ze samen, close als ze zijn. In die ruimte ben ik, non-stop. Mijn aandacht heeft geen ander houvast. Of wellicht richt ik niet mijn aandacht. Maar is die overgeleverd aan wat daar is. Kan die zich niet onttrekken.

Terwijl ik daar loop, die zaterdag, ligt het internet eruit. “Kabel kapot, ‘Schier’ al anderhalve dag praktisch van buitenwereld afgesloten” zo meldt de krant. Het eiland afgesloten van prikkels van de rest van de wereld. Overgeleverd aan zichzelf. Aan wat daar is. Niets minder, niets meer. Net als ik zelf, zoals ik daar loop.

Daar viel voor mij het kwartje: kon ik mijn aandacht maar een beetje inperken. En die stroom van prikkels maar regelen. Als met een kraan. Een kraan op de internetkabel tussen mijn eiland en de rest van de wereld. En iets dat voor mij de balans vindt tussen wat ik verteren kan en wat er binnenkomt.

© Dirk Oegema, 1 september 2018

Tip:

Als je de column met anderen op Facebook wilt delen, klik dan op ‘Pagina leuk vinden’, helemaal onderaan in de voettekst.

Nog geen reacties.

Geef een reactie