Poëzie & tijd (Gerome)

Bij VPRO zomergasten zag ik de Vlaamse acteur en zanger Wim Opbrouck, de gast van 13 augustus, een warm pleidooi houden voor de poëzie als de bron (moeder) aller kunsten. Opbrouck vertelde dat hij op momenten van reflectie altijd bij de poëzie uitkomt als zijn bakermat voor herbronning, bezinning  en inspiratie.

Poëzie als een levenselixer, ik herkende me in Opbrouck, je kunt door een enkel woord of een zinnetje plotseling gegrepen worden. Zo kan Remco Campert in zijn bundel – Met man en muis – zeggen:

De kunst is op het punt
Van ontstaan.

Wat heb je nog meer nodig?
Campert is mijn inziens overigens ook een meesterlijk columnist, zie zijn Somberman in de Volkskrant, maar dit terzijde.

Zelf ben ik mijn leven lang een fervent poëzieliefhebber die niets liever dan regelmatig de poëzie induikt. Het lezen van gedichten is voor mij een openen, met daarin de mogelijkheid om door de dagelijkse gebeurtenissen heen het grenzeloze te omarmen en aan te raken. En terugkomend op mijn vorige column, dichten is morrelen aan het raam en als het opeens opengaat, mag je heel even denken met de snelheid van het licht.

De opmerking van Opbrouck maakte me nog enthousiaster om voor deze (tijd-)column gedichten te verzamelen waarin tijd de essentie is, waar ik eigenlijk al een tijdje mee bezig ben.
In mijn achterhoofd speelde ook mee, dat als het zo mocht zijn dat het Vive-schrijverscollectief columns gaat bundelen en uitgeven, dat er in mijn bundel in ieder geval gedichten worden opgenomen waarin door dichters in de tijd wordt gekeken.

Te beginnen met het gedicht Tijd van VASALIS, (Pseudoniem van Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans, Nederlandse dichteres 1909-1998).

Tijd

Ik droomde, dat ik langzaam leefde ….
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt. ‘k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen …
Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur
vlammen en doven: flakkrend vuur.
– De wanhoop en welsprekendheid
in de gebaren van de dingen,
die anders star zijn, en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd ….
Hoe kón ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten?

Maria Vasalis (uit Parken en Woestijnen, Uitgeverij van Oorschot 1940)

© Gerome, 1 september 2017

Tip:

Geef een reactie op deze column, helemaal onderaan deze pagina.

En onder de column kun je via ‘View all posts’ toegang krijgen tot alle columns van deze auteur.

Reacties gesloten.