Jij ligt voor

“Jij ligt voor. Ver voor. Ik ben nog maar 64, jij 91. Hoe is dat? Zoveel dieper in de tijd, dichter bij de streep.” “Ik voel geen verschil,” zegt mijn moeder. We zitten in haar keuken. Ik vraag nog maar een keer.

“Straks ben ik 70, dan 80 en heel misschien daarna 90. Wat verandert er? Hoe is het om te overleven? Alles en iedereen.” “Met mij gaat het goed.” zegt ze, “Ik kan nog alles.” Ik voel dat het niet haar onderwerp is. Of misschien juist wel: haar reactie is direct, zonder aarzelen. Klinkt heel gewoon. Ze hoeft niet naar woorden te zoeken. Dit is wat hier is.

Ik vertel dat het mij bezighoudt sinds het verlies van mijn zoon. Leven en dood. En dat ik er over schrijf, elke maand een stukje. Over de eindigheid van het leven, over wat we niet weten en wat er toch is. Ze luistert, maar reageert niet.

Ook voor mij onverwacht vraag ik of ze een stukje wil lezen. Ik pak mijn laptop erbij, zoek even, en schuif haar de eerste die ik tegenkom toe. De column Aflopend Tij. Ze trekt haar hoofd iets terug: “Wil je het voorlezen?” Ik ben verbaasd dat ik plotseling bij haar over mijn eigen zielenroerselen hardop ga spreken. Ik lees voor hoe de brandweer plotseling bij een vriendin op de gang staat omdat haar werkster de sleutel had vergeten en zij de telefoon niet hoorde tijdens haar middagdutje. De brandweer is er gewoon omdat ze wat ouder is. “Mooi geschreven, dat kost wat denkwerk,” zegt ze. Ik kan het niet laten en probeer het opnieuw, voor de derde keer: “Herken je dat, dat van die brandweer? Dat je de greep met kleine beetjes verliest?” “Nee,” zegt ze, ze is blij dat het goed met haar gaat. Met alles wat ze nog heeft en nog kan.

Even later loopt de zorg de keuken binnen. Ze komt even checken of ze haar twee paracetamolletjes al heeft genomen.

© Dirk Oegema, 1 september 2020

, , , ,

Nog geen reacties.

Geef een reactie