Hoe kan het hart zich openen bij zoveel geweld? (Chris Elzinga)

Extreem geweld is van alle tijden. Hoe daar als toehoorder mee om te gaan? Kan het hart openblijven bij het aanhoren van mensen die over hun geweldservaringen vertellen? En wat brengt dat met zich mee?

Oorlog

“Op de eerste dag van de oorlog, 10 mei 1940, dropten Duitse vliegtuigen vlak bij ons huis in Rotterdam-Noord bommen op een school waar Nederlandse soldaten waren ingekwartierd. Dat was zo dreigend dat moeder besloot met ons – haar 7 kinderen – een veiliger plek op te zoeken. Dat was de groothandel van tante Cor aan de Schiedamsedijk, aan de zuidkant van de binnenstad, vlak bij de havens. De ingang van het kantoor was aan de dijk. Via een trap kwam je in een grote kamer onder het kantoor, waar we ons installeerden. Daar was ook een grote koelcel met dikke muren en aan de voorkant een kleinere voorraadkelder, waar we in geval van nood zouden kunnen schuilen.”

Mijn moeder van 95 vertelt over haar oorlogservaringen. We zitten tegenover elkaar aan haar eettafel. Op mijn laptop heb ik een oude kaart van het Rotterdam anno 1940 gevonden. Daarop is de oude binnenstad te zien van vóór het bombardement.

Ze staart even voor zich uit en gaat dan verder: “Op 14 mei – moeder was aan het koken – hoorden we plotseling zware explosies in de verte. Tante Cor maande ons om direct de kelder in te gaan en met de rug tegen de muur aan de kant van de dijk te gaan staan. Zelf spoedde ze zich naar het dak om te zien wat er aan de hand was. Daar zag ze Duitse vliegtuigen aankomen, die recht op haar af kwamen. Eén bom trof het achterhuis, dat door een verwoestende explosie in één grote puinhoop veranderde. In de kelder hoorden we de explosie en het geraas van vallende stenen, de drukgolf zoog alle lucht uit onze longen en alles verdween in een wolk van stof. Tot overmaat van ramp ging het enige licht uit dat er was. Ik was helemaal in paniek. Mijn jongere broer stond vóór me en ik hield zijn hoofd vast. In het donker voelde ik alleen zijn hoofd en in paniek riep ik: ‘Wim z’n hoofd is eraf!’ Als door een godswonder ging dat ene lichtpeertje na een paar minuten weer aan. We keken elkaar volkomen verbijsterd aan…”

Intussen had tante Cor zich over het puin naar beneden laten glijden. Een deel van de pui en de voorkant van de kantoorruimte stonden nog overeind. “Dat is onze redding geweest. Tante Cor stapte door de kapotte etalageruit naar binnen, duwde de omgevallen toonbank opzij, waardoor het luik vrijkwam, dat toegang gaf tot de kelder. Via een ladder zijn we ontsnapt. Als zij er niet was geweest, hadden we het niet overleefd.”

Buiten waren soldaten bezig in allerijl bezig vuurkorven midden op straat te plaatsen. Ze dienden als bakens van licht, waarlangs mensen de brandende stad konden ontvluchten. “Het was zo onwezenlijk. We liepen in een mist van stof, verlicht door vuur van brandende huizen. Gevels vielen met luid geraas om. Het was levensgevaarlijk. En al die mensen, die in shock daar achter elkaar doorheen liepen. Niemand zei iets.”

Waar scheidslijnen vervagen

Terwijl ze vertelt, ben ik met haar in die kelderruimte. Ik zie mijn familie levendig voor me. Ik voel de impact van de bom, de paniek, en zie hoe ze onder het stof zitten. Natuurlijk is er afstand, maar toch, terwijl zij vertelt, zie ik als het ware door haar ogen, voel ik wat zij voelt. Haar woorden komen binnen in mijn wezen, raken mijn hart. Ik word deelgenoot van haar ervaring en de scheidslijn tussen ‘haar’ en ‘mij’ vervaagt. Zelden heb ik me zo één met haar gevoeld.

Zo kan ik me ook niet afsluiten van de beelden die ik zie van mensen in de oorlogen in onze tijd, van de verhalen die ik hoor en lees. De paniek van Afghanen die wanhopig op de vlucht zijn voor de Taliban. De angst van een vader die mishandeld wordt door Talibanstrijders die zijn drie dochters voor zichzelf opeisen. Als hij hun schuilplaats niet prijsgeeft nemen ze zijn zoons, jonge twintigers, gevangen. Ik word er misselijk van, paniek komt bij me op als ik me in hen inleef. Ondanks dat voel ik een drang om door te lezen en te weten wat er met deze mensen gebeurt. Ik voel ook dat ik mijn hart hiervoor niet wil sluiten.

Leven met een open hart

Enkele jaren geleden vroeg ik aan een zoon van overlevenden van de Holocaust hoe hij met het verschrikkelijke verleden van zijn omgekomen familieleden kon leven. Zijn antwoord was: “Door getuige te zijn”. Door niet weg te kijken. Door aanwezig te blijven bij wat hen is overkomen.

Als dat gebeurt, als ik mijn hart open kan houden, merk ik dat de scheidslijnen tussen ‘ik hier’ en ‘zij daar’ vervagen. Dan ontstaat er ruimte waarin ik anderen in mezelf herken. En in die ruimte voel ik een haast vanzelfsprekende verbondenheid met hun lot. En ik realiseer me: zo wil ik leven, met een open hart, zoveel mogelijk.

© Chris Elzinga, 10 september 2021

De eerste foto is van ‘Here and now, unfortunately, ends my journey on Pixabay’. verkregen via Pixabay.
De tweede foto is van Mike Goad – national-prisoner-of-war-museum – via Paixabay.

Reacties gesloten.