Een omstreden virus als leermeester (Yoyo van der Kooi)

Dinsdag 26 oktober. Ellen, mijn accountant en goede vriendin, komt de BTW-aangifte voor het derde kwartaal in orde maken. Ze kijkt mij forsend aan “Ben je ziek?” vraagt ze. “Eh… niet dat ik weet”, antwoord ik verbaasd. Mét dat ik het zeg realiseer ik me dat ik me niet echt lekker voel.

 

En dan is het zover…

Een vage hoofdpijn zeurde al de hele middag (terwijl ik de laatste administratieve loodjes afrondde) ergens achter in mijn hersenpan. En mijn spieren zijn stijf van het lang in één houding achter het scherm van mijn computer zitten.

“Nou, ik zou me maar eens testen op corona” zegt Ellen laconiek. “En ik houd een beetje afstand, als je het goed vindt.”

Als we een paar uur later klaar zijn met de BTW besluiten we om niet, zoals het plan was, een maaltijd te gaan afhalen bij het restaurant om de hoek: ik voel me intussen echt belabberd en wil het liefst mijn bed in.

De volgende dag voel ik me nog steeds beroerd. Pijnscheuten schieten door mijn kop. Ik voel me slap en al mijn spieren doen zeer. Bij de Coöp haal ik een zelftest. En test positief.

Meteen bel ik de GGD, want ik wil wel zeker weten of het klopt. Ik kan nog diezelfde middag komen voor een PCR-test. De fietstocht naar Arnhem-Zuid is een beproeving,

“Morgen bellen we u voor de uitslag”, zegt het vriendelijke gemuilkorfde meisje, terwijl ze behendig een lang wattenstaafje achter in mijn keel en vervolgens diep in mij neusholtes duwt. De tranen springen me in de ogen.

Thuis bel ik mijn cliënten voor de volgende dag af en kruip mijn bed in. Met een warme kruik. Ik heb het koud, maar mijn hoofd gloeit en ik heb niet eens puf om de koortsthermometer op te zoeken die ik ergens moet hebben.

Die nacht slaap ik onrustig. Steeds word ik wakker met een droge mond en moet dan een slokje water drinken. Ik kan moeilijk slikken want er zit taai slijm achter in mijn keel. Maar ik hoest niet en kan wel ademen.

De volgende dag belt de GGD. “Inderdaad, mevrouw, u heeft Covid 19 en u moet 14 dagen in quarantaine. Zorg dat u niemand toelaat in uw huis. U mag ook niet zelf boodschappen doen, dus daar moet u anderen voor inschakelen. Wel mag u een wandelingetje maken, maar blijf ver van alle mensen. Eén dezer dagen wordt u door ons gebeld voor het beantwoorden van een vragenlijst. Gaat u vast even na met wie u zo’n vijf tot veertien dagen geleden in aanraking bent geweest? En breng die vast op de hoogte.”

En dan moet er nog van alles…

Nou, dat is simpel. Op 21 oktober was ik op terugreis van Samos naar Amsterdam, na een heerlijke 14-daagse retraite. De dag ervoor was ik in Karlovasi negatief getest. Naast mij in het vliegtuig zat een jong stel dat de hele vlucht een soort gasmasker op had. De kans is dus gering dat ik door hen ben besmet. Maar op Schiphol bij de bagageband was er natuurlijk een gedrang van mensen die hun koffers kwamen ophalen. Mogelijk dus dat daar wat aerosolen hebben rondgevlogen. Alleen: de ‘aansteker’ is uiteraard niet te achterhalen.

Voor de zekerheid check ik alle deelnemers aan de retraite, en ook de mensen die ik de afgelopen vier dagen heb gezien. Niemand heeft corona. Wel gaat nu als een lopend vuurtje rond dat ik het heb en de appjes en telefoontjes met blijken van bezorgdheid en medeleven stromen binnen.

Ik bel al mijn afspraken voor de komende twee weken af en geef mezelf toestemming om niet op alle berichten te reageren.

Dan belt de volgende dag de GGD weer op: of ik even tijd heb om een aantal vragen te beantwoorden. “Hoelang gaat dat duren?” vraag ik, want ik heb inmiddels de koortsthermometer gevonden en die geeft 39.1 aan. Ik voel me zo ziek als een hond. “Ongeveer een uur”, is het opgewekte antwoord. “En het is wel zaak dat we zo snel mogelijk alle gegevens hebben.”

Nou, dan moet het maar. Gelukkig kan ik dit liggend doen. Ik weet niet meer welke vragen er allemaal op mij werden afgevuurd, maar ik ben nu vermoedelijk medisch gezien een volledig geclassificeerd staatsburger.

Als deze beproeving voorbij is zet ik mijn smartphone uit. Voorlopig even niks.

Alleen met mijzelf

Veertien dagen ben ik in isolement en zie geen mens. De eerste week is het ergst. Ik kan alleen maar van de ene zij op de andere draaien, kreunen, slokjes water drinken en ’s nachts – als de slaap niet wil komen omdat ik overdag niks doe – naar de binnenkant van mijn oogleden kijken waar het ‘Circus of the Mind’, zich afspeelt. Met alle emoties die het triggert. Keer op keer moet ik mijn aandacht terugfluiten naar mijn ademhaling.

Buren zetten soepjes, hapjes en fruit voor mijn deur, maar ik heb nergens trek in en bovendien ruik en proef ik niks. Er zijn momenten waarop ik alleen maar dood wil – en momenten waarop ik de dood vrees, omdat ik nog dit, dat, zus en zo wil/moet doen en regelen.

Eén van mijn leerlingen is huisarts en zij appt mij elke dag om te horen hoe het met me is. “Wil je niet liever naar het ziekenhuis?” vraagt ze een keer als het echt heel erg is. “Ik kan dat zo voor je regelen”. Maar nee, dat wil ik niet. “Óf ik ga hier thuis dood, óf ik overleef het op eigen kracht”, antwoord ik stellig. “Bovendien”, kan ik niet nalaten te sneeren, “wil ik als ongevaccineerde geen ic-bed in beslag nemen.”

Een paar mensen uit mijn vriendenkring raden mij dringend aan om ivermectine te bestellen (een inmiddels illegaal verklaard ‘paardenmiddel’ – letterlijk en figuurlijk – uit de veterinaire geneeskunde, dat onder meer gebruikt wordt tegen schurft en parasitaire infecties). Eén kuur zou voldoende zijn om het corona-virus uit je systeem te krijgen.

Maar ja, ik heb niet voor niets besloten om af te zien van vaccinatie. Dan ga ik ook geen geneesmiddel gebruiken waarvan ik geen idee heb wat het precies doet. Bovendien weet ik dan nóg niet of mijn eigen immuunsysteem het corona-virus kan doorstaan. Ik houd het dus maar bij mijn voedingssupplementen.

Terugkeer naar levenslust

De eerste paar dagen kom ik mijn bed en de deur niet uit. Daarna loop ik een enkele keer even naar buiten om wat frisse lucht te happen. En na een week, als de koorts begint te zakken, maak ik af en toe een ommetje door de rustige wijk of in het Sonsbeekpark.

Ik ontdek de wereld opnieuw.

Hier en daar staat nog een struik in bloei, terwijl het kwik het vriespunt nadert.

Ik geniet van de decoraties die de buurtbewoners op hun gevel aanbrengen.

Van de kinderen in de speeltuin.

En van mijn muurschildering om de hoek, waarin de tand des tijd zichtbaar wordt.

In mijn geest wordt het langzaamaan rustiger. Ik realiseer mij dat ik de laatste maanden wel erg veel van mezelf heb gevergd en dat ik gefrustreerd begon te raken over allerlei ‘belangrijke’ projecten waar ik maar niet aan toe kwam of die ik niet afgerond kreeg.

Steeds dieper dringt het tot mij door dat er niets te bereiken of te bewijzen valt. Dat de dood ons elk moment kan overvallen; dat wij uiteindelijk alles wat we hebben opgebouwd, gecreëerd en gepland moeten loslaten, inclusief ons lijf. En dat ik het leven het meest intens ervaar als mijn volle aandacht hier en nu is in plaats van daar en dan.

Ik besluit om het – nu het ernaar uitziet dat ik dit overleef – wat kalmer aan te gaan doen, een aantal activiteiten en projecten af te stoten en niet meer elke week met individuele cliënten te werken, maar om de andere week.

Zestien dagen nadat corona mij velde is mijn temperatuur gedaald tot 68.8. Ik begin weer eetlust te krijgen en mijn reuk en smaak komen geleidelijk aan terug.

Dus ik vraag via de corona-app mijn herstelbewijs aan en ontvang onmiddellijk een QR-code.

Na lange tijd tot de ‘buitengeslotenen’ te hebben gehoord ben ik zo verheugd dat ik dankzij die code (al is het maar voor een jaar) weer toegang krijg tot de samenleving, dat ik meteen de eerste dag bij het Focus filmtheater een kaartje bestel. En ’s avonds ga ik heerlijk uit eten in mijn lievelingsrestaurant ‘om de hoek’.

De oogst en de dankbaarheid

Hoewel mijn dankbaarheid voor het pure bestaan zich heeft verdiept, duurt het nog ruim een week voordat ik lichamelijk weer wat ben aangesterkt (ik ben 4 kilo’s lichter) en zin krijg om mijn werk te hervatten. Dat bouw ik rustig op, met ruimte in mijn agenda voor ‘niets doen’ of vrienden ontmoeten (die zag ik de laatste tijd ook nauwelijks meer). Ik zie weer hoe belangrijk het is om te zorgen voor een goede balans tussen alleen zijn in mijn binnenwereld en mij met anderen verbinden in de buitenwereld.

De angst voor corona is verdwenen: het bleek een goede leermeester te zijn. Ook over de nieuwe varianten – die uiteraard zullen blijven komen – maak ik mij niet druk. Ik weet dat ‘ik’ ooit doodga(at) en dat is niet langer een schrikbeeld omdat het hoort bij de natuurlijke processen van komen en gaan. Dat besef spoort mij aan om uit elke dag te halen wat er inzit, met volle aandacht te doen waar ik per moment bewust voor kies  en het leven te vieren in al zijn schakeringen..


Met dank aan Vive – Levenskunst, dat mij nu bijna twee jaar lang heeft aangemoedigd en geïnspireerd tot het schrijven van vele columns.

 

©. Yoyo van der Kooi, 4 januari 2022

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reacties gesloten.