Een buiten-binnenwereld (Lenie van Schie)

Mijn reis door het Noorse land voert verder naar het noorden. De landschappen trekken aan mij voorbij. Ze beroeren mijn innerlijk en doen de delen die daar sluimeren ontwaken. Ik reis door een buiten-binnenwereld.

Avond

Het is opnieuw avond geworden, opnieuw een dag vol indrukken achterlatend.
Ik heb na lang zoeken een plekje gevonden op een kleine parkeerplaats tussen rijen zomerhuisjes. Het is duidelijk een plek voor dagtoeristen; een toilet en een bank die uitkijkt over het water, complementeren het geheel. Naast de plek een kleine speeltuin met even verderop een tennisbaan. Met een bord met eten neem ik even later mijn intrek op de bank. Ik heb een plek gevonden aan de kust, aan de oever van een fjord net ten noorden van Trondheim

Contemplatie

Mijn ogen zwerven over het rimpelloze water. Het mooie weer houdt aan, ook nu ik verder naar het noorden trek. Geest en lichaam ontspannen in de stilte waar het geluid van watergolfjes tegen het rotsige strandje en het geschreeuw van zeemeeuwen die overvliegen, de enige geluiden zijn. Geen auto’s en even ook geen mensen. Alleen de vogels nu en mijn eigen ademhaling, het geluid van de toetsen die ik indruk op het toetsenbord. Even mijn dag bijwerken.

Mijn ogen zwerven over het rimpelloze water

 ‘Ja weer een dag voorbij en hoe was die dag?’
Mooi, vol en veel. Het is prachtig hier en heel fijn. De wind waait stil en zacht; als een koele fluistering glijdt ze langs mijn lijf. De meeuwen zijn ook tot rust gekomen, stil zitten ze op stenen voor de kust. Zacht voel ik me.

Mijn gedachten keren terug naar de vorige avond, naar het gezin dat ik ontmoette op een nog in functie zijnde boerderij. Ik overnachtte op een veldje dat de naam had een camping te zijn.
Aanvankelijk dacht ik dat ik bij een kleine nederzetting was beland. Verschillende hoge gebouwen, opgetrokken uit robuust hout en met daken van gras, stonden bij elkaar op een erf. Ik was verbaasd te horen dat hier slechts één gezin woonde. Haar man, zo vertelde de moeder van de nog jonge kinderen, was de enige erfgenaam geweest. En de gebouwen zijn oud, ze staan op de monumentenlijst. Zij was een fulltime verpleegster in Dombas, een stadje even verderop aan de E6. Dat het een klus was om een plek als deze te onderhouden, was te zien.

Ik was al vroeg weer op weg; het gezin had ik niet meer ontmoet. Het was, ondanks het vroege licht, stil op de weg. Ik passeer Dombas. Een hotel, nog een hotel, benzinestations en een camper op de parkeerplaats bij enkele gebouwen, mensen aan de tafel in het parkje voor een vroeg ontbijt, en dan ben ik het stadje voorbij. De weg stijgt, in de verte doemen besneeuwde bergtoppen op. De weg naar het noorden, naar Trondheim, voert over een hooggebergte.

Hoogland

Ik val stil als ik de leegte in rijd. Omzoomd door besneeuwde toppen in de verte, voert de weg door gras en mossen, met watertjes en hier en daar een boom. Het Dovrefjell – Sunndalsfjella nasional park. Hier leven muskusossen en elanden. Van dieren geen spoor. Wel van de mensen. Tal van zomerhuisjes liggen verspreid in het gebied en er zijn veel parkeerplaatsen, veel campers die hier overnachten.

Stil zit ik op een grote steen en neem het landschap in me op.

Ik parkeer mijn auto, maak koffie en een klein ontbijt. Loop al etend en drinkend het land in. Over smalle paadjes vinden mijn voeten hun weg. Stil zit ik op een grote steen en neem het landschap in me op. Als altijd raakt het me, de vele kleuren groen en grijs, de granieten hardheid en mossige zachtheid. En hun weerspiegeling in de stille poelen en de stromende rivier. En in mijn geestesoog zie ik het meisje met dat lange witte hoofd.

Het paddenstoelenmeisje

Haar naam dankt ze aan haar langwerpig witte hoofd dat lijkt op een paddenstoel waarvan ik de naam niet weet. Ze is een van mijn innerlijke kinderen. Toen ik haar voor het eerst ontmoette had ze de leiding over hen. Ze was de grootste, de oudste ook en ze hielp vooral ook de kleintjes, de meest kwetsbare. Het is voor het eerst dat ik openlijk over haar spreek en de vele notities die ik over haar maakte zijn verstopt in even zovele dagboeken die ik wellicht nooit meer ga nalezen.
Ze is al een tijd lang alleen en heeft zo haar stemmingen. Soms is ze als een blinde, haar hoofd wordt dan nog langer en lijziger, alsof ze dreigt op te gaan in de grijze lucht. Dan wordt ze wat ik mijn dissociatie noem.
Ze kan ook bozig zijn en geïrriteerd. Dan knijpt alles in mijn hoofd samen en kan ik niet meer nadenken. Het doet behoorlijk zeer, die verkramping en er is angst en afgeslotenheid.

Geraakt door het lege landschap is ze opener geworden

Nu hier, zittend op dit bankje, voel ik haar aanwezigheid. Ze is veranderd. Geraakt door het lege landschap is ze opener geworden. Haar hoofd is groter en ruimer. Er is meer adem. Ze is van het lege landschap, van het vochtige veen en de watertjes. Ze is van stille wind en de oeroude stenen die in het landschap opduiken.
Hoe lang zoek ik al niet deze landschappen op, hoe vaak fotografeerde ik al niet de stenen en de watertjes. In Dartmoor en Exmoor, in Wales en in de uitgestrekte veengebieden in Schotland. Ze is van dat land, net als het andere meisje dat waar ik eerder over schreef, dat meisje dat zo stil bij de watertjes zit. Ze horen bij elkaar.

Hier, op dit moment wordt ze wakkerder dan ooit. En voor het eerst realiseer ik me dat ik haar ook afwijs. Als ze verkrampt, dan gaat het pijn doen in mijn nek. Het kan zomaar ontstaan, bijna als een spasme dat door kan trekken tot diep in mijn keel en in mijn hoofd. Vaak ook nog in de rechterkant van mijn schouders en lager in mijn rug. En ik kan er niets tegen beginnen. Dan wil ik alleen maar dat het over gaat.
Maar nu ik haar begin te begrijpen ga ik zien hoe ze overspoeld wordt door geluiden, door ‘do’s en don’ts’. Haar vermogen tot voelen is groot, was te groot. Ze heeft het moeten afleggen tegen de overweldigende ervaringen die ik als kind meemaakte. Verdicht is ze, gesloten, afgesloten en verbleekt. Leeg en dicht tegelijkertijd. Ze kon de wereld waarin ik leefde niet aan.

Trondheim

Hoe ver verwijderd is dat meisje van het stadse leven. Hoe ver verwijderd van de huizen en de gebouwen, van de mensen ook. Ik was in Trondheim vanmiddag, bezocht de kathedraal daar en dronk een cappuccino aan een tafeltje op een terras met uitzicht op die hoge kerk. Voelde me toerist. Even was ik dat, was ik toerist. Dan verstopt ze zich, verdwijnt ze in mijn binnenste. Ze voelt alleen vrijheid in de verre lege landen waar de natuur haar gang gaat. Zoek ik daarom deze plekken op?

Ik kijk op als een meeuw luid schreeuwend over het water scheert. De wind wakkert wat aan en brengt enige verkoeling. Er is een koppeltje scholeksters neergestreken. Komen ze hier slapen? Houden ze me gezelschap deze nacht?
Van het speelveldje naast mijn parkeerplaats klinkt het geroep van spelende kinderen. Na hun avondmaaltijd is het voor hen nog lang geen tijd om te gaan slapen. Maar voor mij wordt het bedtijd. De zon staat nog hoog aan de hemel maar dat verandert mijn vermoeidheid niet. Ik kruip in mijn camper en de gordijnen gaan dicht. Ik ga dromen van het paddenstoelenmeisje.

© Lenie van Schie 1 januari 2018

Tip:

Geef een reactie op deze column, helemaal onderaan deze pagina.

En onder de column kun je via ‘View all posts’ toegang krijgen tot alle columns van deze auteur.

, , ,

Nog geen reacties.

Geef een reactie