De zwarte specht (Dirk Oegema)

We hebben elkaar lang aangekeken, de zwarte specht en ik. Onafgebroken aangekeken. Het contact voelde wat onhandig, ik keek door een veel te kleine verrekijker die acht keer vergroot. Hij deed het zoals altijd met z’n blote ogen. Ik had al een paar minuten staan kijken, naar boven, naar het gat in de stam van die ene beuk op zo’n tien meter hoogte. De ingang was duidelijk herkenbaar. Specht had die opgesierd met tal van littekens in de bast rond de opening.

Na een uur kwam ik aan bij dit stukje bos. Mijn hoofd werd gaandeweg leger, lichter. Mijn gedachten hebben moeite om in beweging te blijven in deze groene omgeving. Om me heen is er niets dat aansluit aan bij wat er in mijn hoofd omgaat, zo kort na het vertrek uit de bewoonde wereld. En dat voelt met elke pas wat onhandiger. Voelt zwaar alsof ik met rubber laarzen de dansvloer op kom. Tegen de tijd dat zij mij vasthoud en ik haar leven voel ben ik alleen nog maar laarzen.

We zien elkaar een jaar later. Ik twijfelde of hij er wel was, want ik had niets gehoord, geen roffels op beukenhout en niet z’n kruu kruu kruu.  Na twee minuten dacht ik dat ik iets zag bewegen, achter de ingang van zijn royaal uitgehakte hol. Even later was het duidelijk, zijn lange botbleke snavel bewoog tegen de achtergrond van het donker van het hol en het zwart van zijn veren. Nog een minuut later gaf hij zich bloot: de snavel dwars voor de ingang en een oog dat mij zag. Hij keek me aan, ook al stond ik vogelvriendelijk een flink eind verderop. Specht bleef kijken, dit was duidelijk zijn nest en zijn bos. Ik ben hier nu op bezoek, meer niet. En, zoals vaker, ben ik verrast door de intimiteit van het oogcontact.

© Dirk Oegema, juni 2021

Reacties gesloten.