De vraag naar identiteit – wie ben ik eigenlijk? (Chris Elzinga)

De vraag naar de menselijke identiteit heb ik altijd fascinerend gevonden. Allerlei aspecten van het leven kunnen een besef van identiteit geven: naam, beroep, woonplaats, land waarin ik woon, plaats in het gezin etc. Maar wat blijft er over als dat besef wegvalt?

Dé Nederlander bestaat niet

Ik moet denken aan de uitspraak van Maxima enkele jaren geleden dat dé Nederlander niet bestaat. Ze kreeg daar nogal wat commentaar op. Alsof Nederlanders niet zouden bestaan! Ongehoord! En dat uitgerekend uit de mond van een Argentijnse. Hoe durft ze!
Haar uitspraak lijkt een tere snaar in veel landgenoten te raken. Morrelt er iets aan onze basiszekerheid?

Bestaat dé Nederlander dan niet? Nee, natuurlijk niet, want dat is een soort gemiddelde van alle Nederlanders. En niemand ís dat gemiddelde. Bovendien wíllen we ten diepste ook helemaal niet ‘gemiddeld’ zijn, we willen liever bijzonder zijn, uniek, we willen ons onderscheiden van anderen.

Wie ik ben heeft zeker te maken met mijn uniciteit, wat mij tot mij maakt, wat mij onderscheidt van anderen. Uniciteit drukt zich onder meer uit hoe ik eruit zie, hoe ik me kleed, beweeg, hoe ik spreek, hoe ik vorm geef aan mijn leven etc.

Groepsidentiteit

Tegelijkertijd willen we ook tot een groep behoren. Jaren geleden liep ik met enkele vrienden in de buurt van Beijing over de Chinese Muur. Als vreemden onder al die Chinezen. Plotseling hoorde ik in onvervalst Leids: “Goh da’s gaaf hier!” Het was alsof een stukje Nederland ineens daar aanwezig was. Het gaf me het gevoel van thuis zijn: Nederlander zijn onder Nederlanders. Ik was niet alleen, geen vreemde meer!

Groepsidentiteit geeft een gevoel ergens bij te horen, een gevoel van veiligheid en geborgenheid. Hier ben ik thuis, hier herkennen mensen me, voel ik me veilig. Samen staan we sterk.
Mensen reageren zo sterk op Maxima’s uitspraak omdat zij die groepsidentiteit lijkt te betwijfelen. Dat is doodeng. Want als we geen Nederlanders zijn, zijn we allemaal vreemden voor elkaar. Waar zijn we dan nog thuis? Kunnen we er dan nog wel van uitgaan dat anderen ons steunen wanneer we dat nodig hebben?

Identiteit geeft een gevoel van waarde en van zekerheid

Geslacht, ras, leeftijd, politieke overtuiging etc. zijn allemaal geschikt om identiteit mee op te bouwen. Maatschappelijke rollen lenen zich daar ook heel goed voor: “Ik ben coach”, “Ik ben vader”, “Ik ben lid van de supportersvereniging van Ajax”. Identiteit geeft het gevoel iemand te zijn. Het geeft een positie in de samenleving. Daarom ben ik iemand, beteken ik iets, heb ik waarde en ben ik van waarde.

Als ik weet wie ik ben geeft dat een gevoel van zekerheid. Ik besta! Maar wat als die identiteit wegvalt? Als ik mijn werk kwijtraak, ik geen vader meer ben, van mijn status niets meer overblijft, ik ouder word, Ajax mij niet meer boeit? Wie ben ik dan?
En als ik niet meer weet wie ik ben, heb ik dan nog wel recht van bestaan? Wie kan ik overtuigen van dat recht? Wie verzekert mij dat ik (hier) mag blijven bestaan? Dit zijn existentiële vragen waar bv. veel asielzoekers mee worstelen.

Thuiskomen in mezelf

Een tijdje geleden overkwam het mij dat ik in een groep als trainer iets helemaal verkeerd aanpakte. Dat gaf nogal wat gedoe in de groep. Ik kreeg er een onbehaaglijk gevoel van en werd heel onzeker. Gedachten kwamen in me op: nu was ik echt door de mand gevallen, ik was een slechte trainer, zouden ze me de volgende keer nog wel accepteren? Op een gegeven moment realiseerde ik me dat ik een zelfbeeld had gecreëerd van de goede trainer. Ik bleek daar mijn identiteit aan te ontlenen en dat gaf mij zekerheid.
Toen besefte ik dat identiteit vooral gebaseerd is op ideeën over mezelf in mijn mind. Zolang ze niet betwijfeld worden bieden ze een houvast, maar in feite is het allemaal schijn.

Met dit besef voel ik het zelfbeeld verkruimelen. Het wordt een intense ervaring. Als ik de pijnlijkheid toelaat, voel ik hoe dat doorwerkt in mijn lichaam. In eerste instantie is het een akelig gevoel in mijn borst. Ik adem wat dieper in en voel hoe er geleidelijk aan warmte ontstaat in mijn hartstreek, waar ook de meeste verkramping is. Langzaam lost de kramp op.
Het voelt als een landen in mezelf, een indalen van rust en stilte. Ik begin een soort van nederigheid te ervaren, waarin ik niet meer bijzonder hoef te zijn. Ik hoef niets meer voor te stellen, niet meer aan een beeld te voldoen.
De vraag of ik nog mag bestaan (als trainer) valt weg, want ik ervaar heel direct dát ik besta. Daar heb ik geen bevestiging van anderen voor nodig. Hier is geen twijfel.

Paradoxaal genoeg brengt het verlies van identiteit me dus meer bij mezelf. Ik voel me zacht én stevig tegelijk. En ervaar een zekerheid die niet bepaald wordt door enige identiteit. Nu ben ik thuis, niet in een groep of in een rol, maar in mezelf, onbepaald. Ik bén. Meer is niet nodig.

© Chris Elzinga, 1 februari 2019

Tip:

Geef een reactie op deze column, helemaal onderaan deze pagina.

En onder de column kun je via ‘View all posts’ toegang krijgen tot alle columns van deze auteur.

Nog geen reacties.

Geef een reactie