De Lofoten 2  (Lenie van Schie)

Mijn reis heeft me op de Lofoten gebracht. Ik reis door zonovergoten eindeloosheid, onder luchten die zich spiegelen in het water en ontmoet stenen als wachters van de Aarde. Mijn aanvankelijke reisdoel, dit eilandenparadijs, is bereikt.

Bij Vikten aan de kust

Ik zit in bed en schrijf. Kijk uit over het water, een spiegel voor de grijsheid in de lucht. Eerder heb ik geprobeerd mijn dromen te herinneren. Ze zijn abstract, hebben te maken met transformatie, met iets in mij dat verandert, iets waar ik niets aan kan doen of hoef te doen, iets dat te maken heeft met Aarde. Ik herinner me nu weer hoe ik een kring van vrouwen zag, een terugkerend innerlijk beeld. Ze zijn altijd gekleed in het zwart, deze vrouwen, en op een of andere manier maak ik onderdeel uit van deze kring. In mijn droom waren het eerder zwarte vlekken en ze waren er samen met Urd, die Aardegodin die ik hier voortdurend tegenkom en waar ik eerder over schreef. De oervrouw uit de Vikingen tijd die de bron onder de wereldboom bewaakt. In mijn droom waren ze samen op een vlakte, tussen het groen en in de zon; het was vredig.

Ik speur de hemel af op tekenen van licht, van een breuk in het wolkendek. Zie hoe aan de horizon inmiddels kleine gekartelde grijze vlekken verschijnen, eilandjes, eerst onzichtbaar, komen nu aarzelend tevoorschijn.

Mijn ogen glijden verder over het gladde oppervlak van de zee, de donkergrijs gekleurde, met kelp bedekte rotsblokken vlak voor me aan het water. Stilte, diepte en oerkracht. Urd is hier en in haar aanwezigheid leer ik over Aarde, over hoe me te verbinden met mijn lichamelijkheid, mijn wezen. Helpt me ontdekken dat ziel en lichaam niet gescheiden zijn, maar één.

Zwerven

Dan ben ik weer op weg. Het grijze asfalt voert langs grijze wateroppervlakten, grijze stenen, ondiepe waterpoelen met roestbruin gekleurde kelp. De vele tinten grijs passen bij mijn gemoed. Ik voel me stil van binnen, de magie werkt in mij. Ik voel me opgenomen in een tijdloze ruimte, in een andere werkelijkheid. En toch ben ik ook zo hier!
In de verte tilt de grijze lucht zichzelf op. Laat meer licht toe en op de verre toppen schijnt het zonlicht. Steenrood en geel geschilderde houten huizen staan verspreid in het landschap, sommigen met een grasdak. Een brug overspant de Nappstraumen en dan ben ik in Lenes. Aan de zuidkant van het eiland schijnt de zon, vast en zeker, in Ballstadt bijvoorbeeld.
Ik verlaat de E10, die levensader van verkeer, die alle eilanden verbindt en neem de 815 langs de zuidkust. Ik verwacht drukte, maar het is er stil. De weg slingert zich langs het water. Dan, ineens die uitzonderlijke plek, een grote, halvemaanvormige baai met overal rotsblokken. Ze liggen hier alsof ze zijn uitgestrooid door reuzenhanden.

Ik zet de auto langs de kant, maak een kopje thee, en zit vervolgens lang in de deuropening van mijn bus. De wind is megakoud.

Stenen

Ik kijk. Kijk naar de rotsblokken, groot en klein, verspreid over het brede strand, naar de vele eilandjes die als donkere silhouetten in het glinsterende, zilverachtige water liggen en kijk naar daarachter, naar de scherpe lijnen van hoge bergketens.
Hoeveel stenen zouden er op aarde zijn? En elke steen is anders, verweerd door de tijd en het weer, verbrokkeld tot kleinere en kleine, ieder uniek, ieder met een eigen boodschap. We hebben geleerd om namen te geven en te determineren. We hebben objecten van ze gemaakt. Maar stenen hebben ieder hun eigen verhaal; helaas kunnen we hun taal niet meer verstaan.
Stenen hebben me altijd gefascineerd. Het begon ooit met Stonehenge; het was mijn eerste reis alleen, de eerste keer dat ik in Engeland was en twee maanden na het overlijden van mijn vader. Hij was 74 geworden, ik was 45. Ik werd ernaartoe gezogen, naar dat monument. Ik moest erheen, reed in een gehuurde, Engelse auto, over wegen waar geen einde aan leek te komen. En toen was ik waar ik zo graag wilde zijn en in eerste instantie zag ik niets. Althans, ik zag alleen een hoop oude stenen. Was ik daarvoor gekomen?

Tot er iets in mijn blik veranderde, alsof mijn ogen anders raakten afgesteld. Toen zag ik hun schoonheid, hun ongenaakbaarheid en bijzonderheid. Ik zag, dat weet ik nu, hoe ze leefden. Het werd het begin van een zoektocht, het begin van zwerftochten over de aarde, langs oude steencirkels en over verlaten paden naar toppen van heilige bergen, naar verlaten grafheuvels en hunebedden. Een zoektocht naar het numineuze en naar Aarde zelf. Ik ontdekte de leylijnen. Net als er in het menselijk lichaam energiebanen lopen, de meridianen, lopen er van zulke banen door Aarde. En waar deze samenkomen en elkaar ontmoeten, hebben onze voorouders hun tempels gebouwd. Het zijn heilige plaatsen en ze zijn over de hele Aarde te vinden.

Wachters

Hier liggen de grote stenen verspreid in een baai. Door erosie losgeraakt uit hun oorspronkelijke vorm, vrijgekomen om de ruimte die hier voorhanden is, in te nemen. De natuur heeft hier een tempel gebouwd; stenen als wachters.
Volgens sommige overleveringen zijn de stenen voor Aarde wat botten zijn in ons menselijk lichaam. Anderen spreken over stenen als de bibliotheek van Aarde waar alles wat er in ons zonnestelsel gebeurt, wordt opgeslagen.(1)

Zo mijmer ik hier, aan de rand van dit stenige strand, in de warme zon, met de koude wind die om mijn benen waait. Ze brengt me geuren. Ik ruik kaneel en een fris-zoete geur van bloemen. Ik kom tot rust hier in de ingang van de camperdeur. Wat ik wil, mijn plannen voor de rest van de dag, voor morgen, verdwijnen. Ik ben hier, Aarde is hier, Urd is in me aanwezig en ze is aarde, vegetatie, wortels die in mij groeien, stenen die in mij zijn als stille kracht.

Uitzicht

Deze stemming blijft bij me als ik later over een platgelopen, smal pad omhoog loop naar de Kleppstadhela. De auto heb ik achtergelaten op een parkeerplaats net voorbij de brug die Gimsoy met Austvagoya verbindt. Ik heb mij warm aangekleed, een bescherming tegen de wind. Het pad is hier en daar aardig steil. Soms liggen er alleen grote keien en moet ik grote stappen nemen. Een gezin met drie kinderen loopt voor me uit, vindt, nog net niet rijpe, wilde frambozen. We maken een praatje.

Het is inspannend, maar ik hoef niet naar de top, dat scheelt. Het pad passeert grote rotsblokken en gaat door van die lage stevige berkenbosjes, hun bladeren ritselend in de wind.

Als ik hoger kom, krijg ik uitzicht over een palet aan eilanden, prachtige wolkenluchten, de lange brug als een gebogen lijn waarover mini autootjes bewegen. De koude wind is hier weggevallen en mijn trui kan uit. Verderop langs het pad is een roestkleurige metalen bus bevestigd aan een rots. Hier schrijf ik mijn naam in een schriftje. En die bus hangt niet eens bij de top!

In de buurt vind ik de perfecte rots en zit ik ver boven de wereld, met voor mij zachte wolkenslierten tegen een wittig blauwe lucht. Ver onder me het glinsterende water, met vlekken groen en grijs, stukjes land die in de horizon oplossen in het niets.
Soezend in de zon laat ik alles gaan en verdwijn ik, net als die eilandjes, in het niets.

© Lenie van Schie 1 mei 2018

Noot

(1) ‘Onze Levende bibliotheek Aarde’, lessen van de Pleiaden, doorgegeven aan en beschreven door Barbara Marciniak, hoofdstuk 3, ‘Aarde Spreekt’, pag. 66.

Tip:

Geef een reactie op deze column, helemaal onderaan deze pagina.

En onder de column kun je via ‘View all posts’ toegang krijgen tot alle columns van deze auteur.

Nog geen reacties.

Geef een reactie