De Kysten (Lenie van Schie)

Op mijn reis door Noorwegen nader ik mijn bestemming. Ik wilde naar de Lofoten. De naam had beelden opgeroepen van leeg land en mistige kusten. Maar het mooie weer houdt aan. En voordat ik deze eilandengroep bereik, voert mijn tocht langs de prachtigste kusten van Noorwegen.

De kysten

Had ik op het vorige traject al tal van verre bergen ontmoet, als de kust bij Kleivhalsen naar het noorden wijkt, opent zich een panorama aan eilandjes.

Grijze toppen reiken tot hoog in de lucht, de grillige kustlijn is een en al rots. In deze adembenemende schoonheid ontmoet ik opnieuw het land. 

Krachtplaatsen

In Kilboghavmn, neem ik de ferry naar Jektvik. Tal van eilandjes komen dichterbij en verdwijnen weer uit zicht. Sommige hebben markante vormen. Ik herken een tempel, een trolachtig wezen en verderop in zee een perfecte piramide.
Voor veel indigenous people, de bewoners van Aarde die zich nog diep verbonden voelen met deze planeet, zijn markante toppen als deze vaak bijzondere plekken. Het zijn voor hen heilige plaatsen waar ze zich ten diepste verbonden voelen met de ‘Andere Dimensie.

De poolcirkel

Dan bereiken we de poolcirkel. Deze passage wordt via luidsprekers aangekondigd, fototoestellen komen tevoorschijn en toeristen drommen naar stuurboord. Daar, op een eilandje staat een figuurtje dat, als we dichterbij komen een stalen wereldbol blijkt te zijn. De poolcirkel.
Het land voorbij de poolcirkel had voor mij een magische aantrekkingskracht. In mijn beelden was ‘daar boven’ stilte, leegte, bar landschap en mist. Maar er verandert niets; ik zit op een ferry die helemaal vol is, autos in het ruim, mensen op binnen- en buitendek, volop zon en overal vegetatie. Mijn beeld van het land boven de poolcirkel moet ik in de komende weken erg bijstellen.

Van Jektvik is het maar zo’n 30 kilometer naar de volgende ferry in Agskardet. Ik ben ruim op tijd, rijd mijn auto in de al wachtende rij en stap uit. Ik loop wat rond en  strek mijn rug. Mijn blik valt op mijn auto tussen al die andere. Ik hoor mijn kleindochters zeggen: ‘Oma jij hebt wel een grote auto he?’. En daar staat ze, een kleine nietige vlek tussen al die grote motorhomes. Hoezo, groot?
De Skarsfjorden is zo overgestoken en ik volg de weg langs de kust, op weg naar een slaapplek. Die vind ik op een parkeerplaats aan de weg, aan het water en pal tegenover de Swastika gletsjer.

Fotograferen

Gedurende enige tijd stoppen auto’s, stappen mensen uit, hun camera in de hand. Ze maken foto’s en stappen weer in. Ik sla het een tijdje gade, een bizar fenomeen zolang je er naar zit te kijken. En ik doe het zelf ook.

Een pyramidevormige tempel op een van de eilandjes

Fotograferen is voor mij een manier van kijken. Met de lens kies ik voor bepaalde uitsnedes, haal iets naar de voorgrond of laat het verdwijnen naar de achtergrond. Met mijn camera leg ik mijn ervaringen en mijn gevoelens vast.
Langzaam wordt het stiller. In mijn kleine stoeltje zit ik laag bij de grond in het laatste restje zonlicht, voordat dat het verdwijnt achter de hoge gletsjer kam. Het licht de witte sneeuw op, die de top van de berg bedekt. In de lucht dunne sluierwolken, op het water zachte rimpels die het diepe blauw voortdurend in beweging houden. De wind roert ook de stevige kleine blaadjes van de berken die aan de rand van het water staan. Ze maken een zacht ratelend geluid als ze elkaar aanraken. De paarse klavertjes vlak voor mijn auto wiegen mee met de hoge grashalmen.

De gletsjer

Ik richt mijn verrekijker op de top van de gletsjer, daar op de grens van sneeuw en rots, en kijk regelrecht in diepe stilte en oneindigheid, in tijdloosheid, in onvermurwbaarheid. De kale rots die nog boven de gletsjer uit torent, toont de sporen van zijn leven: diepe gleuven, krassen en groeven, verweerd oppervlak. Compromisloos stelt de rots zich beschikbaar om aangeraakt te worden, door wind en water, door vorst en zonlicht, compromisloos en zonder zijn eigenheid te verliezen. Voor de indigenous people is alles bezield. Voor mij ook. Hier spreekt Rots mij toe, hier als ik in rust ben, kan ik hem horen.
Ooit zocht ik die rust, die ongenaakbare leegte, terwijl ik stap voor stap de berg op ging, op zoek naar het hogere, naar de ijle godheid, het Al. Naar mezelf.
Nu hoef ik niet meer te klimmen en mijn zwerftocht hier met de auto door dit land is niet langer een zoeken. Hier is mijn tocht een verdieping van verbindingen die er al zijn. Nee, ik hoef niet langer de berg op en dat komt goed uit want mijn lichaam kan die klim al lang niet meer maken.

In die kom leg ik mij te slapen

Kijkend naar de rots, komt de rots naar míj toe. Zonder dat er woorden zijn, voel ik me toegesproken. Onder zijn top ligt een diepe kom, en in die kom leg ik mij te slapen. Daar ligt degene in mij dat zich kwetsbaar en onzeker voelt. Dat ook soms bang is. Ze ligt neergevleid in het zachte graniet dat als een hele grote hand haar draagt.

Tunnels

De volgende ochtend vertrek ik vroeg. Ik moet door een tunnel van wel twaalf kilometer en ze zijn hier oud en smal. Ik wil erdoorheen zijn voordat het verkeer op gang komt. Een bochtige weg voert tussen hoge bergketens, imposant, groots. Ik kan de rotsen voelen maar mijn aandacht is bij de weg. Daar is de tunnel. De koplampen verlichten een lege, holle ruimte. Voorzichtig rijd ik erin. Hij is smal, deze tunnel, geen twaalf kilometer maar acht, dit eerste stuk. Geen middenstreep maar wel wordt op de rotsige wanden het aantal kilometers aangegeven die je nog te gaan hebt. Ook geen tegenliggers en zeker niet van de grote brede motorhomes.
In het laatste deel van de tunnel zijn de lichten uitgevallen. Het voelt alsof ik een dood einde nader, alsof ik mij klem rijd in een duisternis waar geen licht is, geen ruimte, geen lucht. Waar ook het Zijn niet meer beschikbaar is voor mijn ziel. Afgesloten.
Dan in de verte is er toch het licht.

Een rustplaats

Op een parkeerplaats aan het einde van de laatste tunnel parkeer ik. De rustplaats ligt aan de uitloper van een fjord. De betonnen tafels met dito banken die met ronde latjes zijn bekleed, zijn van een simpele schoonheid. Nog maar half zeven en achter mij razen de auto’s al weer over de weg. De granieten rotsen vormen een klankbord. Ik zet een kopje koffie.
Het water eindigt hier in een zandstrandje. Door het water heen kan ik de bodem zien. Een meeuw scheert laag over, zijn vorm weerspiegeld in het wateroppervlak. Ik volg met mijn ogen zijn vlucht, hoog in de lucht en dan weer laag over het water.
Het water. Zacht, rimpelend, teder, als fluweel en toch ook niet, paarlemoer maar natter, vochtiger. Sensueler en ook weer niet. Toegewijd, ja het water is toegewijd aan dat wat is.
De meeuw is er nog steeds, evenals zijn weerspiegeling. Nu vliegt een tweede meeuw op. Is het zijn maatje? Samen scheren ze over het water, weg, de lucht in, weg uit mijn gezichtsveld.

Aan de andere betonnen tafel is een stel motorrijders neergestreken. Zij is duidelijk moe, gebruikt de bank als ligplaats. Ik ontmoet veel mensen die er moe uit lijken te zien. Gister bij de ferry naar Jektavik stonden lange rijen auto’s en veel mensen zaten op bankjes en aan tafeltjes te wachten. Niemand leek blij te zijn. Ze zaten op een prachtige plek, de zon scheen. Wat is er mis met de mensen?
Maar de vrouw kan uitrusten, de man zorgt voor een kopje koffie, brandertje op tafel, water koken. Ik wil ze wel even groeten, maar ze kijken niet mijn kant op.

Vreugde

Wat raakt me zo in dit land? Ik voel diepe vreugde, vooral telkens weer die diepe vreugde.

Ik ervaar diepe vreugde

Mijn blik zwerft over water en lucht, over de markante kammen van de rotsen waar het zonlicht overheen strijkt nu. Net nog maar, nog maar net is de zon over de kam gekomen – schijnt over de stenen aan de andere kant van de weg, over hun begroeiing, de korstmossen. Ik fotografeer, tast af, raak aan.
Een piepklein bruin vogeltje met een felrode stip op zijn kop, komt op een takje zitten vlak voor mijn tafel, een fel fluitertje dat het volgende moment weer is verdwenen. Ik zie iets bewegen net boven het water, hoor een zachte plons. Iets lijkt zich in te graven in het zand net onder het water. Het rimpelt eindeloos door. Maar er komt niets meer tevoorschijn.De stilte, de immense stilte telkens als het geluid van auto’s wegsterft, alleen de vogels en het zachte spreken van mijn buren zo nu en dan. Stilte.

Ik pak mijn camera, het lege koffiekopje en stap opnieuw mijn auto in. Nog een kleine twee uur rijden naar Bodo. Daar vertrekt de ferry naar de Lofoten.

© Lenie van Schie, 1 maart 2018

Tip:

Geef een reactie op deze column, helemaal onderaan deze pagina.

En onder de column kun je via ‘View all posts’ toegang krijgen tot alle columns van deze auteur.

Nog geen reacties.

Geef een reactie