Aangekomen in Noorwegen (Lenie van Schie)

Eerder schreef ik over Urd, over zij die in de wortels van de levensboom woont en daar de bron bewaakt. Ik schreef over de Vikingen, die trotse stoere krijgers en hun Godendom, maar waar begon mijn reis in Noorwegen eigenlijk?

Een plan

Vóór mijn reis is Noorwegen een fascinerende plattegrond. Grillige kustlijnen met diepe inhammen, lege hoogvlaktes, smalle, kronkelige weggetjes. Vanaf Hirtshals in het noorden van Denemarken is het 15 uur varen naar Bergen en dan ben je al een stuk het land in. Ik bestudeer de kaarten, spel de vreemde namen, bekijk de routes die de wegen op de kaart lijken uit te stippelen. Zal ik vanaf het zuiden al direct een kustroute nemen of zal ik door het binnenland gaan? In drie weken naar de Lofoten en terug, is dat haalbaar? Mijn reis is al begonnen.
Langzaam ontstaat het plan: met de ferry naar Bergen, door het binnenland tot aan Mo I Rana en daar naar de kust. Bij Bodø de oversteek maken naar de Lofoten en vandaar alle eilanden over om in het noordoosten het vasteland weer te bereiken. En dan, dan zie ik wel verder.

Op zee

Ik word wakker van een stem die iets omroept. Uit het Engels maak ik op dat we in Stavanger zijn aangekomen. Ik heb redelijk geslapen in mijn stoel in een hoekje bij het raam. Het is al volop licht. Gestommel om mij heen, ik pak mijn spullen bij elkaar en op zoek naar koffie en een ontbijt loop ik even later door de brede gangen, bestudeer de borden aan het einde van de trappen. Omhoog of omlaag?
Ferry’s zijn bekende omgevingen; ik steek er vaker een zee mee over. Half slapende mensen op banken en stoelen, overal bagage, kinderen die aan de hand van hun ouders het restaurant binnenlopen. Een bakje koffie en een croissant en dan, als het kan, naar buiten. Dat kan!

Eilanden waar je naar kunt kijken

Een stralende zon al hoog aan de hemel, een blauwe zeespiegel, eilanden overal waar je maar kunt kijken, zo vaar ik van Stavanger naar Bergen. De wind is fris, koud ook, de kustlijn wijkt en komt weer dichterbij. Mijn fototoestel registreert, of zijn het mijn ogen die het fototoestel gebruiken om vast te leggen voor later? Mijn laptop noteert geduldig alles wat ik aan haar wil toevertrouwen. Ze is samen met mijn auto, die nu nog op het autodek op mij wacht en mijn fototoestel, op deze reis mijn dierbaarste vriend.

Hier leeft Urd, hier in de onherbergzaamheid van de natuur, op de plekken waar mensen geen huizen kunnen bouwen en waar de wildernis nog overleeft. De boot trilt door mijn lijf, er is muziek uit de luidsprekers, geen idee waarvoor dat nodig is. Om mij heen mensen in de zon, met of zonder capuchon want de wind is koud. Pratend, dommelend, stil kijkend, fotograferend, wandelend over het dek. Kinderen die heen en weer rennen.

Ik zit aan een tafeltje achter glas, beschermd tegen de wind. De kust vaart voorbij, rotsen, benaalde en bebladerde bomen, hier en daar een huis. Het wordt leger, eenzamer. Het water, een rimpelend oppervlak, vaart ook voorbij. Ik sta stil en de wereld om mij heen beweegt zich voort, alsmaar verder. Mijn hart gaat sneller kloppen, iets in mij dat lang sliep, wordt hier wakker. Ik ervaar nieuwe frisheid, andere vitaliteit, nieuw leven.
Ik moet denken aan de Tarotkaart van de dood die ik afgelopen week tot twee keer op rij trok. Geen idee wat in mij is doodgegaan, hier is iets nieuws, alsof ik door een poort een nieuwe dimensie in mezelf binnentreed.

Bergen

De haven van Bergen

Om 12.30 meren we aan in Bergen.

Als ik de boot afrijd, vraagt een dame me of ik alcohol bij me heb.
‘Ja, alleen voor eigen gebruik’.
‘Hoeveel?’
‘Drie flessen wijn..’ Het zijn er meer, drie weken, twee flessen per week, dat telt op naar zes. Ik word doorgestuurd naar haar collega en rijd de auto op haar aanwijzingen een loods binnen met aan het einde een grote, gesloten roldeur. Gespannen, bang dat ze mijn auto overhoop halen en ontdekken dat ik gelogen heb.
Het is een aardige man. Met mijn paspoort in zijn hand, vraagt hij waar ik vandaan kom – alsof hij dat niet kan zien- vraagt waar de reis heengaat. Hij vertelt over het weer. Dat dit de eerste mooie week van het seizoen is. En het weer is alleen goed in het zuiden.
‘Tot hoever reikt het zuiden?’
‘Zeg tot aan Alesund’.
‘Ik wil naar de Lofoten en weer of geen weer, ik ga toch’.
Het gesprek is in het Engels en ik zal ontdekken dat nagenoeg alle Noren goed Engels spreken en bijna moeiteloos overschakelen.
Als ik zeg dat ik niet begrijp waarom ik word aangehouden, dan zegt hij:
‘We moeten zo nu en dan toch iemand aanhouden’. Ik mag gaan.

Omhulling

Via Voss gaat mijn reis naar het noorden. Mijn tom-tom – een heel belangrijke gids op deze reis – wijst me de richting: de E16 richting Oslo. De ene tunnel volgt de volgende op. Ze zijn uitgehakt in de rotsen en zo rijd ik door de ingewanden van Aarde. Het raakt aan iets oers, ik voel me omhuld.
Toch ben ik blij als al die tunnels achter me liggen en ik het landschap in me op kan nemen. Enigszins want de weg is regelmatig vrij smal met een vangrail aan de waterkant, een van de vele fjorden. Water, er is hier overal water.

Een korte pauze in Voss, terrassen zitten vol, mensen zitten te eten, gemoedelijk en ontspannen. Zij blijven, ik stap na een cappuccino en na het checken van mijn mail weer in de auto, rijd door langs de E13 richting Hella. De weg voert omhoog, langs vele bergstromen tot op de Vikjafjell. Steen en rots, grijs en nat, rood geverfde houten huizen met grasdaken, glinsterwitte watervallen langs donkergrijze rotsen, groen mos en lichen op de stenen.

Steen en rots, grijs en nat, glinsterwitte watervallen langs donkergrijze rotsen

Ik zet de auto stil, stap uit, voel lucht en aarde, mijn hart klopt van verwachting. Stralende zon, warm tot in de nacht. Een parkeerplek met picknicktafels; dit wordt mijn overnachtingsplek.

Heimwee

Ik loop naar beneden, langs de mossige weiden waar overal granieten rotsblokken uit de veenachtige grond tevoorschijn komen. Geklingel van de bel van een moederschaap, dat verderop loopt met haar jongen. Als het pad een bocht maakt sta ik bij de waterval die ik boven al langs de berg naar beneden zag storten. Over grote rotsblokken baant het water zich een weg naar beneden tot het verdwijnt en onder het rotsige grintpad door naar het grote stuwmeer stroomt dat hier ligt. Er staan zomerhuizen langs het meer en op de mossige grasvlakte. Sommige van die huizen zijn alleen bereikbaar via smalle paadjes waar hier en daar houten vlonders de voeten van de bewoners moeten behoeden voor de drassigheid. Ik zoek een grote steen uit en ga zitten. ‘Als water te zijn, dat zomaar stroomt, dat niet hoeft na te denken over waarheen te gaan of wat iets te betekenen heeft’.

Als water te zijn, dat zomaar stroomt, dat niet hoeft na te denken

Iets in me is verschoven. De grassen en mossen om me heen begroeten me, Aarde draagt me, Urd is hier. Voel het jonge kind in mij dat zo vaak in het hoge gras zat onder de perenboom in de tuin van mijn kindertijd. De tuin die verdween toen ik zeven was en ging verhuizen naar de overkant van de straat. De tuin die plaatsmaakte voor het gemeentehuis.

Mijn blik waart rond, glijdt over de vele tinten groen en grijs, het blauw in de lucht, water en steen, rots en struik, de zon een gouden bal. Het geruis van de waterval, net boven het stroompje, overstemt al het geluid. Hier te zijn, hier voor altijd te kunnen leven, dichtbij Aarde in haar puurheid en directheid. Mijn hart is zacht, er is liefde, ontroering ook. Maar er zit ook een gat, een schaduw. Iets mist.
Tussen mij en de omgeving zit een sluier; er zit afstand. Ik kan niet mee samenvallen met het water, de rotsen, met de mossen en planten. Ik weet dat ze me begroeten maar ik kan ze niet binnen in me voelen. En ineens begrijp ik iets van het heimwee dat ik zo vaak ervaar, begrijp ik dat het heimwee is naar die ervaring van eenheid in de tuin van mijn kindertijd. De sluier is niet weg maar dit het inzicht helpt.

Gedragen

Het is acht uur in de avond en de zon staat hoog aan de hemel, ik kijk uit over het landschap dat zich voor mij ontvouwt. De stilte wordt alleen verbroken door een enkele auto die achter me over de weg rijdt, of over het grindpad naar beneden het dal ingaat. Ik kom aan in de stilte, de leegte. Het land neemt me in zich op en steelt mijn hart.

Het land neemt me in zich op en steelt mijn hart

Ergens is er nog een lichte spanning, deze eerste nacht, moet ik er nog aan wennen dat niemand zich aan mij stoort, dat ik niet teveel ben hier, in mijn kleine camper langs een stille weg. Het mag in de Scandinavische landen; een decreet bepaalt dat iedereen zich in de vrije natuur mag bevinden ook gedurende de nacht, mits het niet op privégrond is en het niet in de buurt van bebouwing is.

‘Is dit te dichtbij?’, vraag ik me af. Er staat ook langs deze weg her en der een zomerhuis. Maar niemand lijkt zich aan mij te storen, er komen geen mensen langs die mij vertellen dat dit niet kan. Ik zak onderuit, nog een beetje op mijn hoede vallen mijn ogen nu en dan dicht en het duurt niet lang of ik doe de gordijnen dicht en de deur op slot. Dat wel, altijd de deur op slot. Ik slaap in de warmte van zon en licht, gedragen door de leegte van het land.

© Lenie van Schie, 1 november 2017

Tip:

Geef een reactie op deze column, helemaal onderaan deze pagina.

En onder de column kun je via ‘View all posts’ toegang krijgen tot alle columns van deze auteur.

, , ,

Nog geen reacties.

Geef een reactie

Do NOT follow this link or you will be banned from the site!